Beep Beep
Zondag 30 December 2007 om 9:53 pmZo zit ik In Europa te kijken met Charis op schoot, zo is het voorbij. Zo komt ineens een autoreclame voorbij. Met fijn geluid nog wel. Waarom staat Simone White nog niet op campusnet?
01 Jun - 30 Jun 2006
01 Jul - 31 Jul 2006
01 Aug - 31 Aug 2006
01 Sep - 30 Sep 2006
01 Okt - 31 Okt 2006
01 Nov - 30 Nov 2006
01 Dec - 31 Dec 2006
01 Feb - 28 Feb 2007
01 Mrt - 31 Mrt 2007
01 Apr - 30 Apr 2007
01 Mei - 31 Mei 2007
01 Jun - 30 Jun 2007
01 Jul - 31 Jul 2007
01 Aug - 31 Aug 2007
01 Sep - 30 Sep 2007
01 Okt - 31 Okt 2007
01 Nov - 30 Nov 2007
01 Dec - 31 Dec 2007
01 Jan - 31 Jan 2008
01 Feb - 29 Feb 2008
01 Mrt - 31 Mrt 2008
Zo zit ik In Europa te kijken met Charis op schoot, zo is het voorbij. Zo komt ineens een autoreclame voorbij. Met fijn geluid nog wel. Waarom staat Simone White nog niet op campusnet?

Had ik al verteld dat mijn vader zo goed kookt dat je op het visuele materiaal ervan nog sterker reageert dan pavlov's hond?
Ik zou zoveel met kerst. Het liep erop uit dat ik, een week voordat het zover was, mijn vader belde met de mededeling dat ik alsnog bij mijn ouders zou zijn. En dat was gezellig! Ik heb zo’n vader die van vele markten thuis is, maar een van zijn hoofdsegmenten is dan wel koken. Ik had nog nooit springbok op en als het aan de lucht die van het vlees af kwam lag, had ik het waarschijnlijk ook nooit gedaan. Het is maar goed dat, als het eenmaal op mijn bord ligt, mijn nieuwsgierigheid altijd wint.
Omdat mijn tweede kerstdag dus ook ontdaan was van welke planning dan ook, kon ik ook wel even met mijn moeder mee om mijn grootouders te bezoeken. Op de tweede kerstdag is er altijd een zangmiddag voor de oudjes in het tehuis en mijn pake, die zo doof is dat hij denkt dat je door elkaar praat als er niemand iets zegt, beschikt wél over een toonvastheid waar een stemvork u tegen zegt. Dus met z’n twee zongen we over de herdertjes, die bleke midwinterdag en luisterden we hoofdschuddend hoe we met de hele groep het voor elkaar kregen ‘Ere zij God’ in meer dan acht verschillende toonsoorten tegelijk te zingen.
Thuis vertelde ik msn-vriendje, wat trouwens feitelijk iets minder triest is dan het klinkt: we zijn al vijf jaar aan het chatten, maar we zouden elkaar niet herkennen als we in Amersfoort over elkaar struikelden en dat geeft ook niet, M. dat ik mijn roeping misschien wel gevonden had. Hij bleef erbij dat ik misschien maar eens een rebound op moest gaan zoeken.
Dit moet de mafste treinreis ooit worden. Ik sta op station Gouda met twee volle tassen en, jawel, een grote koperen melkemmer. Het ding is van mijn betovergrootmoeder geweest en moet nu mee naar Enschede. Met alle blutsen die erin zitten is er geen manier om hem stabiel neer te zetten, dus welke beweging de trein ook maakt; dat ding gaat herrie maken.
Mijn hoop op een beetje rustig treinstel blijkt ijdel te zijn als de trein aankomt. Ik schuifel door het gangpad op zoek naar een tweezitter waar ik mezelf met de emmer kan wegstoppen. Dat lijkt teveel gevraagd te zijn en ik zijg neer tegenover een wat oudere mevrouw met een bouquetboekje. Ze blijft wat langer naar me kijken om zich er van te verzekeren dat ik echt bij mijn volle verstand ben en gaat dan verder in haar boek wat volgens de cover over een gespierde man gaat die flauwvallende vrouwen vangt.
Ik verdiep me in mijn eigen boek en lees ongestoord verder tot in Amersfoort een man, 28 jaar vertelt hij me al vrij snel daarna, de bouquetvrouw vervangt. “wat heb jij nu weer bij je?” -“Een melkemmer.” “Waar is de melk?” -“Die is kennelijk op.” “Door jou zeker?” -“Ja, allemaal. Dat is een van mijn kwaliteiten.” “Ohja joh? Nou, zoenen is mijn kwaliteit.”
Op dat moment kijk ik voor het eerst op van mijn boek. Mijn antwoorden, die afkappend bedoeld waren, worden een flirterige kant op gedwongen en ik weet niet zeker of ik daar op zit te wachten. Toch wil ik het ook niet over mijn kant laten gaan en pareer met de opmerking dat zo’n stelling pas van kracht is als ik hem heb geverifieerd.
Door die opmerking is het hek natuurlijk van de dam en nog voordat we in Deventer zijn ben ik een telefoonnummer rijker. Het kan verkeren. De volgende keer dat ik met de trein ga neem ik een delftsblauwe po mee.
Ze schijnt dé youtube hit van het moment te zijn (Ik vermoed in het rijtje Chris-Leave-Britney-Alone-Crocker) en ze is terug! Onze gans zingt een kerstliedje.
Nog vrijwilligers om haar uit haar lijden te verlossen?
Ik geloof dat het ooit op mijn werk is geweest dat ik het summum in zijn soort tegenkwam. Ik werd gebeld door een klant en ik moest de wederhelft spreken van degene die mij belde. Terwijl de telefoon af werd gehouden schalde er aan de kant luid en duidelijk “Glucobeestje! Kóm eens? Die meneer moet jou spreken!”
Net als bij kleffende of hand-in-hand fietsende stellen overvalt me een soort onpasselijkheid (denk terugtrekkende teelballen) bij het horen van overdreven koosnamen. Mensen die elkaar honingwolkje of suikerschuimpje noemen moeten dood.
Ik weet niet of er ooit een of ander evolutionair nut is bedacht bij het gebruik van koosnamen, begrijp me goed ik noem mijn vriend ook wel eens ‘lief’, maar een aanzienlijk deel van onze soort lijkt hier dan afschuwelijk in te zijn doorgeslagen.
Ik ben eeuwig dankbaar dat er in mijn relatie een stille overeenkomst heerst dat we al kant en klaar komen met een geweldige naam om elkaar te noemen, bij mijn weten heb ik die bij mijn geboorte ook al gekregen, ik kan het iedereen aanraden.
Als je dan eindelijk eens gaat speuren voor Batzernieuwtjes kom je nog wel eens wat tegen. Wil er nog iemand bij de kerstman op schoot?
“Ben je dat nou nooit eens zat?” -“Wat ben ik zat?” Is mijn tegenvraag als ik de roze gevoerde sloffen laat zien die ik voor sinterklaas heb gekregen. “Nou, dat dus. Die clichés in cadeautjes, grapjes en al die opmerkingen over homo’s die zo nodig leuk moeten zijn.”
Ik knipper met mijn ogen. “Daar sta ik niet eens meer bij stil.” beaam ik oprecht. Het is iets dat volledig langs mij heen gaat. Ik neem het voor lief aan en grap maar gewoon mee, dat is het makkelijkst.
“Je laat je stigmatiseren uit gemakzucht?” Misschien wel. Ik snap het principe waar hij heen wil, maar ik ervaar het niet (meer) zo. Het is vaak niet kwaad bedoeld en niemand staat er bij stil hoe ontzettend afgezaagd het hele gebeuren eigenlijk voor je is. Ikzelf ook niet.
Ik heb me al lang geleden daarbij neergelegd. Waar je stiekem ongemakkelijk bij bent maak je grappen over en het is de mens eigen eerst te kijken naar hetgeen je differentieert. Dat pakt voor mij uit dat ik eerst homo ben en dan Kor. In een heel ander voorbeeld: Zo was onze kamerzoeker vorige week heel erg eerst blind en daarna pas muzikaal, welbespraakt en erg positief van karakter en het stomme is: het is begrijpelijk.
Een klein aantal kon zo erg niet om zijn handicap heenkijken dat er eigenlijk een soort veto werd uitgesproken waar we ons als huis maar naar moesten buigen. Je kan niet iemand aannemen als er mensen zo fel op tegen zijn. Hoewel ik denk dat we een spreekwoordelijke ‘chance of a lifetime’ hebben gemist, maar dit is nu eenmaal het systeem van kamerzoeken.
Ik zal mijn “stigma” altijd blijven dragen, waar ik ook kom. Ik zal altijd moeten bewijzen dat ik meer ben dan een wat lacherige, praatgrage homo. Het valt eigenlijk ook wel mee als je de bierkaai ziet waar de kamerzoeker tegen moet vechten. Ik geloof dat daar ook wel een treffend woord voor is: xenofobie.
Eigenlijk heb ik een hekel aan het hele gedoe van sinterklaas vieren. Het maken van surprises is een crime. Een echte crime zeg ik u. Maar toch het valt elk jaar weer mee wat andere huisgenoten voor elkaar weten te bedenken.
Naast mijn hout/wollen vervanging van onze logeermalteser zijn we een stel roze pantoffels, een vlammenwerper en een heuse levende kreeft rijker. Die kreeft heet Lambertus en woont in een emmer. Het schijnt dat ie makkelijk drie dagen zonder eten kan. Ideaal.
Maar als u mij even excuseert. Ik ga opzoeken hoe je zo’n beest het beste klaarmaakt.
update: Le homard est mort. Omdat we niet weten wanneer hij dood is gegaan en hij vrij vlot vol zit met E. Coli kunnen we de kreeft niet meer eten. Hmpf. Dus vanmiddag tijdens het ‘campusboodschappenuurtje’ gaan we hem in zijn laatste rustplaats leggen: Het toilet van de onderbuurvrouw.